|
Hoofdstuk 11 (v.1.0)
Eerste vereisten voor de spirituele zoeker
Je hebt de neiging om je geluk te zoeken in een grote hoeveelheid materiële dingen en successen. Maar je ontdekt dat daarin geen permanent geluk te vinden is, terwijl dat het enige is dat je wilt. Uiteindelijk begin je door te krijgen dat je het geluk niet buiten jezelf kunt vinden. En dan blijft er maar een mogelijkheid over: het permanente geluk en de oneindige tevredenheid moet je IN jezelf vinden. Dat is een hele belangrijke ontdekking. Je vindt permanent geluk en tevredenheid IN jezelf door je ware natuur te gaan herkennen als zijnde de oneindige Brahman. Dit wordt in de Muṇḑaka Upanishad 1.2.12 en in de Katha Upanishad 2.1.1&2 als volgt verwoord:
“Nadat hij tevergeefs de wereldse dingen die door handelingen verkregen worden uitgeprobeerd heeft, ontwikkelt een wijs mens objectiviteit ten opzichte van wereldse zaken. D.w.z. hij realiseert zich dat ‘Dat wat niet het product van handeling is’ niet door handeling verkregen kan worden (namelijk Brahman). En met het doel om Dat te kennen benadert hij nederig en vol eerbied een leermeester (guru) die het van zijn leermeester in de traditie geleerd heeft en die gevestigd is in Brahman, d.w.z. die zich de kennis van ‘Ik ben Brahman’ geheel eigen gemaakt heeft.”
“De Schepper heeft de geest en de zintuigen zo gemaakt dat ze naar buiten gericht zijn. Slechts een enkeling die onsterfelijkheid zocht (d.w.z. bevrijding van het rad van wedergeboorte) richtte zijn blik naar binnen en verkreeg na studie de kennis van het intuïtieve getuigenbewustzijn.”
“De dwazen wentelen zich in externe objecten en raken verstrikt in de gebondenheid van sterfelijkheid (d.w.z. de cyclus van geboorte en dood en lijden en verdriet). Maar de wijzen geven het verlangen naar de tijdelijke objecten van de wereld op, want zij hebben geleerd om onderscheid te maken en ze hebben geleerd dat het doel onsterfelijkheid is (d.w.z. bevrijding van het rad van wedergeboorte).”
Natuurlijk betekent dit alles niet dat je je werk op moet geven. Integendeel zelfs. De shāstra’s bevelen iedereen aan om nauwgezet de verplichtingen die behoren bij je huidige levensfase uit te voeren. (Met als uitzondering de mensen die het wereldse leven, familie en bezittingen hebben opgegeven en een levensstijl hebben aangenomen die volledig gewijd is aan jñāna yoga, genaamd vividisha sanyāsa.) De genoemde verplichtingen spelen zich niet alleen af op het terrein van je eigen familie, maar ook op het terrein van de maatschappij, je voorouders, je leraren, de mensheid als geheel en de natuur, teneinde bij te dragen aan de ecologische en universele harmonie. Je hebt echter ook een verplichting ten aanzien van jezelf om te zorgen voor omstandigheden waarin je spiritueel kunt groeien. Maar je mag niet afwijken van het pad van rechtvaardigheid. Dus als er sprake is van exorbitante rijkdom, dan dient dit ten gunste te komen van het welzijn van de behoeftigen.
Katha Upanishad 1.2.24 benadrukt dat iemand geen jñānam (kennis) kan verkrijgen, tenzij hij zich onthoudt van slecht gedrag en hij zijn zintuigen en geest onder controle houdt.*
De zoektocht naar het Zelf, ook wel thuisreis genoemd, betekent dat je moet studeren, dat is niet anders. Het is echter geen studeren in de gebruikelijke zin van het woord. Het is geen studeren op een uitsluitend rationele basis. In de brahma vidya of de wetenschap van het Zelf kom je niet ver met redeneringen, discussies of argumentaties. Het gaat om een praktische realisatie van de waarheid. Dit vereist een perfecte leermethode en een ijzeren discipline.
Er zijn vier vereisten voor de studie van jñāna kānda. Deze vier sādhanā’s (spirituele disciplines) als onderdeel van het pad naar zelfrealisatie staan bekend onder de naam sādhanā catushtayam.
Sādhanā catushtayam (viervoudige dagelijkse spirituele oefeningen) bestaat uit:
1. Ātma-anātma viveka
2. Vairagya
3. Shadka sampatti
4. Mumukshutvam
ad 1. Ātma-anātma viveka: onderscheid maken tussen het Zelf en het niet-zelf (ātma en anātma), tussen het eeuwige en het tijdelijke (nitya en anitya), tussen het werkelijke en het onwerkelijke (sat en asat). Viveka dient geen kortstondige oefening zijn en het dient ook niet afhankelijk te zijn van de stemming van zoeker. Deze zoeker moet een viveki worden, een mens die gedurende de hele dag onderscheid maakt. Zo iemand is voortdurend alert en hij raakt nooit verstrikt in de omstandigheden. Viveka geeft geestelijke kracht en rust. Uit viveka komt vairagya voort.
ad 2. Vairagya: kalmte en ongehechtheid aan de genietingen van objecten, zowel hier als in het hiernamaals. Een vairagi (ongehecht mens) heeft geen rāga dvesha (aantrekking of afkeer van zintuiglijke objecten). Terwijl de gewone mens een slaaf is van zijn zintuiglijke objecten en altijd wisselend tevreden en ontevreden is, is een vairagi altijd vrij, altijd gelukkig en altijd tevreden.
ad 3. Shadka sampatti: zesvoudige deugd of discipline. Zes deugden die leiden tot geestelijke controle en discipline. Zij worden daarom als containerbegrip bij elkaar gebracht. Zonder shadka sampatti is concentratie en meditatie onmogelijk. De methodes om sampatti te verwerven bestaan uit nishkāma karma (ongehecht handelen) en upāsana (mediteren).
De zes deugden van shadka sampatti zijn:
- Dama: controle en terughoudendheid met betrekking tot de zintuigen. Wat niet betekent dat je je zintuigen niet zou moeten gebruiken of dat je ze zou moeten afstompen. Het betekent dat je je zintuigen bewust moet gebruiken voor de juiste dingen met betrekking tot je spirituele doel en ze niet ongecontroleerd moet wijden aan allerlei wereldse genoegens.
- Shama: evenwichtigheid van geest. Dit betekent rust en stabiliteit in het denken. De zintuigen en de geest beïnvloeden elkaar wederzijds. Wat dama is voor de zintuigen, is shama voor de geest: controle en terughoudend waar het niet nuttige wereldse zaken betreft, maar geconcentreerde aandacht voor zaken die je spirituele doel dienen. Dama en shama zijn dus deugden die in combinatie in praktijk gebracht dienen te worden.
- Uparati: je verplichtingen niet verzaken, genoegen scheppen in dat wat het meest nabij is, d.w.z. het Zelf, en het afzien van het streven naar zintuiglijke genoegens. Na de disciplines van viveka, vairagya, dama en shama, verdwijnt onvermijdelijk de aantrekkingskracht van zintuiglijke genoegens.
- Titiksha: verdraagzaamheid en geduld. Tolerant zijn. Het verdragen van ongemakken die het gevolg zijn van de paren van tegenstellingen zoals plezier en pijn, hitte en koude enz. Wat goed begrepen moet worden is dat titiksha een middel is en geen doel. Paren van tegenstellingen zijn er altijd en men dient er dus niet naar te streven om het onaangename te elimineren teneinde alleen het aangename over te houden. Dat is ook onmogelijk. Alleen iemand die wijs is zal de paren van tegenstellingen als gegeven accepteren zonder te proberen daar op basis van persoonlijke voor- of afkeur verandering in aan te brengen. En juist door die houding blijft hij altijd gelukkig en tevreden. Dit is dus de ware verdraagzaamheid op basis van kennis en inzicht in de eeuwige wetten van de schepping. Zo iemand is veruit superieur ten opzichte van fysieke titikshu’s, mensen die zich toeleggen op fysieke lijdzaamheid en zichzelf fysiek pijnigen, want deze zullen zeker falen: vroeg of laat zullen ze een fysieke omstandigheid tegenkomen die ze niet kunnen verdragen.
- Shraddhā: rotsvast vertrouwen in de woorden van de guru en de Veda’s. Dit onwankelbare vertrouwen is zeker geen blind vertrouwen. Het is gebaseerd op een heel precies gebruik van de rede, op bewijs en ervaring. Het is dus geen geloof in de gebruikelijke zin van het woord, wat louter gebaseerd is op religieuze tradities of sociale omstandigheden. Dit kan namelijk nooit van nut zijn voor je spirituele doel van kennis en bevrijding. Shraddhā is uiterst belangrijk! Zonder shraddhā is geen enkele vooruitgang op het spirituele pad mogelijk, want alleen met shraddhā kun je oppoppende twijfels effectief te lijf gaan. Vanuit shraddhā ontwikkelt zich dan nishta, eenpuntige aandacht en toewijding, en van daaruit zelfrealisatie. Zonder shraddhā zal elk beetje vertrouwen verschrompelen en de zoeker zal doelloos verder dwalen zonder ooit zijn spirituele doel te bereiken.
- Samādhāna: geestelijke balans door geconcentreerde aandacht. Dit is de vrucht van de voorgaande deugden. De geest wordt standvastig geconcentreerd op de ātman en blijft volkomen vrij van opgewondenheid en angst te midden van voor- en tegenspoed. Shankara zegt in zijn ātma anātma viveka: “Als een geest die bezig is met shravaṇa, manana en nididyāsana (de drie fases van het klassieke spirituele pad) en afdwaalt naar een of ander werelds object of verlangen, het dan als waardeloos afwijst en weer terugkeert naar het uitvoeren van de drie oefeningen, dan wordt een dergelijke terugkeer samādhāna genoemd.”
ad 4. Mumukshutvam: vurig verlangen naar bevrijding of ontsnapping uit het rad van wedergeboorte. Mumukshutvam is een vanzelfsprekend gevolg van de voorgaande sādhanā’s (spirituele oefeningen).
Hoewel het moeilijk is om het Zelf te kennen, kan Het toch gekend worden door de juiste middelen toe te passen.
* Katha Upanishad 1.2.24:
“Iemand die geen afstand gedaan heeft van slecht gedrag, die zijn zintuigen niet onder controle heeft, wiens geest niet geconcentreerd is, wiens geest niet vrij is van bezorgdheid (door hunkering naar het resultaat van zijn concentratie), kan dit Zelf niet bereiken door middel van kennis van Brahman.”
Shankara: "Het idee hierachter is dat de mens het Zelf door middel van kennis kan bereiken als hij gestopt is met slecht gedrag en ook de verlokkingen van de zintuigen kan weerstaan, als zijn geest geconcentreerd is geworden en als hij ook vrij is van verlangen naar of bezorgdheid over de resultaten van zijn concentratie en als hij een leraar heeft."
Katha Upanishad 1.2.23:
“Het Zelf kan niet gekend worden door veel studie, noch door het intellect, noch door er veel over te horen. Het Zelf van de zoeker kan uitsluitend gekend worden door het Zelf waar iemand naar streeft om Het te kennen. Dit Zelf van die zoeker onthult Zijn ware natuur.”
Shankara: "De betekenis hiervan is dat het Zelf zich uit eigen beweging onthuld. Het maakt zich bekend aan een mens zonder wensen die uitsluitend het Zelf zoekt."
Katha Upanishad 1.2.21:
“Terwijl het bewegingloos zit, reist Het ver weg. Terwijl Het slaapt, gaat Het overal heen. Wie anders dan Ik kan dat fenomeen (het Zelf) kennen dat zowel vreugdevol als vreugdeloos is?”
Shankara: “Dit vers drukt uit dat het geconditioneerde Zelf, doordat het alle tegenstrijdige eigenschappen bezit, moeilijk te kennen is. Zoals je ook niet kan zeggen wat voor kleur een prisma heeft, omdat het alle kleuren kan aannemen. Het Zelf kan dus alleen gekend worden door wijze mensen met een verfijnd intellect zoals wij.” (Het gesprek speelt zich af tussen de Leraar Yama – de Dood – en de leerling Naciketas die geschikt bevonden is voor de uiteindelijke kennis).
|