Advaita Vedanta

Atman

Atman – het zelf

atma
‘Ik ben altijd, ik schijn altijd. Ik ben nooit niet geliefd.
Het is duidelijk dat ik brahman, bestaan-bewustzijn-volheid, ben’

– Advaita Makaranda, 1

 

 

In de visie van Vedanta is het zelf, ātman, vrij van elke vorm van beperking. Het is onbegrensd, onveranderlijk bewustzijn, brahman. Dat je een beperkt, sterfelijk wezen bent, is volgens Vedanta een onjuiste conclusie die zorgt voor gebondenheid, verdriet en onzekerheid.

Drie vormen van beperking
Alle objecten in de wereld, inclusief je lichaam, ondervinden drie vormen van beperking; ze zijn beperkt in ruimte, tijd en eigenschappen. ‘Ik ben hier’ betekent: ik ben beperkt in ruimte. ‘Ik ben geboren’ duidt op beperking in tijd. ‘Ik wou dat ik kon zwemmen als een vis of vliegen als een vogel’ toont beperking in eigenschappen aan.

Je lichaam, je geest, je kennis, je zintuigen – allemaal zijn ze beperkt. Als jij dit lichaam-geestcomplex (kārya-karana-sanghāta) bent, dan ben je inderdaad een beperkt wezen. Vedanta stelt dat je niet het lichaam-geestcomplex bent. Je bent een bewust wezen dat zich bewust is van het lichaam-geestcomplex.

Ik ben bewustzijn
Mijn lichaam, geest en zintuigen zijn objecten die ik ken. Ik ben me bewust van de lengte, het gewicht en de ouderdom van mijn lichaam. Ik ben me bewust van emoties en gedachten in mijn geest. Net zoals ik me bewust ben van mijn huis, de meubels en andere mensen. Het zijn allemaal objecten die ik ken. Ik ben geen van deze dingen. Ik ben de kenner, een bewust wezen.

Met betrekking tot dingen waar ik me bewust van ben, ben ik dus een bewust wezen. Maar wat ben ik los van de objecten, alleen met betrekking tot mezelf? Vedanta ontvouwt dat ik de inhoud van het bewuste wezen ben: bewustzijn.

Gebrek aan kennis
Bewustzijn is niet een object, en dus heeft het geen afmeting, geen vorm, geen begrenzing. Ik, bewustzijn, ben het enige subject. Ik kan nooit een object worden om waar te nemen. Ik kan ātman dus niet leren kennen zoals ik mijn lichaam, mijn geest en de wereld ken. Toch is ātman me niet helemaal onbekend. Ik weet dat ik besta. Ik ben. Maar ik weet niet dat ik ben wat ik wil zijn. Ik weet niet dat ik het geheel ben en de oorzaak van alles.

Omdat we het zelf niet kunnen waarnemen, maar het ook niet helemaal onbekend is, is het een weerloos doelwit voor verkeerde conclusies en overtuigingen. Iedereen wordt onwetend geboren. De vergissing ‘ik ben een beperkt wezen’ is dan ook universeel. Door onwetendheid identificeren we ons met het lichaam en de geest. De beperkingen van mijn lichaam en geest worden door dit gebrek aan kennis ‘mijn beperkingen’. En andersom krijgen mijn lichaam en geest de werkelijkheidsstatus van het zelf, ātman.

Zoektocht naar geluk
Door de identificatie met het lichaam-geestcomplex ervaren we onszelf als een beperkt, nietig wezen. Maar we zijn niet in staat onszelf te accepteren als gebrekkig en sterfelijk. Dit fundamentele menselijke probleem uit zich in een voortdurende strijd om acceptabel te worden door dingen of situaties te veranderen, te vergaren en weg te doen. Zonder te weten dat we op zoek zijn naar onszelf, zoeken we volheid en geluk buiten ons in de wereld van objecten of in persoonlijke ontwikkeling. Situaties die ervoor zorgen dat we onszelf – d.w.z. onze overtuigingen over onszelf – even kunnen vergeten zijn favoriet. Alles wat ons eraan doet herinneren dat we beperkt en nietig zijn, proberen we te vermijden. Maar daarmee is het probleem niet opgelost.

Vedanta zegt: jij bent het probleem en jij bent ook de oplossing. Vedanta belooft niet dat je vrij zult worden. Je bent al vrij. Vrijheid van beperking is een feit en de bevrijding van het gevoel van beperking is het resultaat van het begrijpen van de visie. De zoektocht naar volheid en geluk eindigt door de heldere kennis dat ik non-duaal bestaan, bewustzijn, volheid (sat-cit-ānanda) ben. Met behulp van een aantal methoden, prakriyās, ontvouwt de Vedanta-leraar deze visie.