|
De eerste oorzaak van deze schepping is liefde. Van hieruit zijn de innerlijke en uiterlijke wereld geschapen. De liefde zelf neemt al die verschillende vormen aan en al deze vormen staan in verband met en ontstaan door liefde.
Om te begrijpen dat de oorspronkelijke substantie van de schepping liefde is, heeft men de rede nodig, Vicārana of viveka. Gebruik maken van de rede staat gelijk met het vinden van de oorzaak van alles wat gemanifesteerd is en tot de slotsom komen dat dit zo is. Door het instrument dat rede heet, kan men alle gemanifesteerde vormen uiteindelijk terugvoeren tot liefde, dat wil zeggen tot het Zelf of het Absolute. Dus is de rede het systeem waardoor men alles lief gaat hebben als het Zelf. Liefde wordt gezien als eenheid omdat het alles doordringt.
Een heilige die Nāmadeva heette was op een dag brood aan het bakken in de open lucht. Een hond nam het brood mee. Dit ziende nam de heilige de pot met boter en liep de hond achterna en riep: 'O Heer, ge hebt verkozen dit brood te nemen, maar nu vraag ik u ook van de boter te nemen omdat ik niet wil dat ge het brood zonder boter eet'. Dit alles was niet gericht tot de hond, maar tot het bewustzijn in de hond. Men zegt dat Shrî Krishnazelf uit de hond tevoorschijn sprong en zei: 'O mijn geliefde en toegewijde Nāmadeva, je hebt Mij dus herkend!'. Waarop Nāmadeva antwoordde: 'Gij alleen o Heer, leeft als bewustzijn in alle wezens. Gij zijt de schepper en oer-vader. Hoe zou iemand U niet kunnen herkennen?'
Liefde is alles-doordringend. Zij dringt overal in door en brengt alles tot eenheid. Liefde is eenheid. Sneha wordt ondervonden door twee of meer personen en dat is wat hen samenbindt en tot elkaar brengt en dat wordt ondervonden als eenmakend. Zo worden de verschillen weggenomen. De liefde tussen de zogenaamde twee blijft een.
De twee zijn belichamingen maar in feite is er één Âtman, die het bewustzijn weerspiegelt in twee lichamen. De liefde is het natuurlijke tussen hen. Als er iets anders tussen die twee aanwezig is kan de liefde er niet zijn
De aanwezigheid van andere dingen tussen de twee verandert de verhouding tot moha, gebondenheid. Allerlei verschillende staten en vormen worden erdoor opgeroepen zoals hebzucht, woede, afgunst enzovoort. Dit is afhankelijk van de intensiteit van de wens of de afkeer die zich tussen die twee mensen voordoet.
Liefde kent echter geen verschil tussen subject en object. Er is geen karttā (subject, onderwerp, eerste persoon) van liefde omdat liefde universeel en één is. In één kan echter geen actie plaatsvinden. Liefde dringt overal in door en dit is de reden waarom liefde door miljoenen wezens ondervonden kan worden zo lang als men het wenst. Een verhouding die in moha is gebed, zelfs met één persoon, zal nooit lang kunnen standhouden. Het is immers onvermijdelijk dat er vanzelf wrijving komt en zo gebeurt het ook. In moh moha is geen enkel gevoel van 'hetzelfde' te zijn. Wanneer er sprake is van een relatie tussen twee mensen die beiden willen gebruiken voor hun eigen voordeel en welzijn dan komt dat door een wens of begeerte die tussenbeide komt.
Het doet er niet toe voor wie liefde werkt, maar liefde werkt altijd voor eenheid. Liefde werkt heel natuurlijk voor samashti als uitdrukking van eenheid. Liefde kan voor A of B werken, maar nooit gedeeltelijk voor A en gedeeltelijk voor B. Zolang A en B niet ter wille van hun eigen voordeel met elkaar verbonden zijn, zal liefde stand kunnen houden. Het begrip van voordeel, of gebruik maken of exploitatie van liefde, brengt de liefde van haar plaats door gehechtheid en door hebzucht. Liefde werkt voor advaita, voor eenheid of voor één. Moha en de rest werken voor dualiteit en veelvoudigheid.
Ware liefde is door ātman, voor ātman, in ātman; er is niemand anders mee gemoeid. Als iets voor iemand anders wordt gedaan, dan is dit geen liefde, maar iets anders. Dit is dan persoonlijk en komt uit het ego. Het is 'handel', en is dus geleende materie. Op den duur moet het teruggegeven worden en dan is het verloren. Meestal beschouwen de mensen hun gehechtheden als liefde en dit is totaal verkeerd. Ware liefde toont afstand doen, dingen opgeven voor anderen, of het verbreken van banden waarmee men gebonden is of waar men controle over heeft. Het opgeven van zeggenschap over zijn eigen bezittingen op fysiek zowel als op subtiel niveau, is een werkzaamheid uit liefde.
Alle eisen die men stelt maken liefde tot nul. Liefde vergaat nooit. Zij is er voor altijd; vol, eeuwig, één, zuiver, onverklaarbaar, alles doordringend. Zolang men liefde niet begrijpt in haar eenmakende grootsheid, kan men niet liefhebben. Vele mensen denken dat zij liefhebben, en blijven uitzoeken waar zij van houden en niet van houden, zij hebben hun voorkeur, hun afkeer en teleurstellingen. Liefde is onveranderlijk, zij is één, zonder tweede.
Er was een rijk man in Marwar in Rajasthan. Hoewel hij gehuwd was en al op leeftijd werd hij nog steeds bezeten door rajas. Hij zag een mooi meisje uit een arme familie en naar men zegt, werd hij verliefd op haar. Hij zond een boodschap dat hij het meisje wilde huwen, en de familie rijk maken, zodat al hun moeilijkheden uit de weg geruimd zouden worden. Het meisje wilde hem niet, dus weigerde zij. In zijn hevige verliefdheid bood de man zijn hele vermogen aan. Het meisje was echter niet te vermurwen. Ze zei dat ze liever met een menselijk wezen wilde trouwen dan met geld. Toen veranderde de zogenaamde liefde in haat. Daarop organiseerde de oude man alles zo dat de familie verbannen werd en nog meer moeilijkheden op de weg vond.
Wereldlijke liefde is geen liefde, maar is erop uit om goedkeuring te verwerven bij beide partijen. Ware liefde doet dat niet. Als liefde eenmaal opgewekt is, biedt zij alleen maar aan en eist nooit iets op. Om dingen te eisen zijn er altijd twee of meer partijen nodig om tot 'zaken' te komen. Aanbiedingen zijn algemeen en hebben geen specifieke andere partij nodig. Liefde wordt aangeboden en daarom verandert zij nooit van kleur of vorm. Als liefde eenmaal tot bestaan is gekomen, blijft zij altijd dezelfde. Liefde is er voor het welzijn van allen door de liefde voor en waardering van waarheid.
Uit: ‘Gesprekken 1982’
Vert.: mr.P.G.van Oyen
|