Upadhi

1.

Shri Shankaracharya Shantananda Saraswati legt uit:

Verschil tussen jîva en Brahman wordt ervaren vanwege upādhi’s.

Upādhi is de toekenning van bepaalde eigenschappen op een bepaald moment. Bijvoorbeeld huisvrouw, buschauffeur, professor in de filosofie. Dit zijn eigenschappen, kwalificaties, functies. Dit schept de verschillen.

Het werk van a-dvaita filosofie is om begrip bij mensen te kweken. Zodat zij gaan beseffen deze upādhi’s er zijn, terwijl er geen feitelijk verschil tussen de jîva en de Brahman bestaat. Deze upādhi’s kunnen overstegen worden. Door ware kennis en begrip verdwijnen deze upādhi’s.

Als de eenheid van jîva en Brahman volledig begrepen wordt, dan verdwijnen de upādhi’s.

Enige voorbeelden.

Er zijn ontelbaar veel potten. Verschillend van formaat en met verschillende kleuren en vormen. De grondstof van al deze potten is hetzelfde: klei.

De oceaan is een eenheid. Toch zien we vele verschillende golven. De golven verschillen in hoogte, vorm, schuim enz. aan de oppervlakte. Achter al deze uiterlijkheden is de oceaan de oceaan gebleven. De uiterlijkheden komen en gaan, maar de oceaan blijft bestaan.

Brahman is te vergelijken met de oceaan, waarop de jîva’s verschijnen en verdwijnen zoals golven van verschillende grootte en duur. En dit gaat eindeloos door.

Een mens die dit begrijpt ziet door de golven heen de oceaan. Die realiseert de advaita van jîva en Brahman.

Uit “Gesprekken 1978”. (27-01-1978)
Vertaling 2001: Rob van Dijk.

2.

Shri Shankaracharya Shantananda Saraswati legt uit:

Upādhi is āropa of adhyāropa.

Neem weer Brahman in vergelijking met de oceaan waarbij de golven allerlei vormen creëren. Elk deel van golven is oceaan. Dus zijn de golven creaties van de oceaan zelf.

De Brahman of de ātman heeft de mantra’s of de woorden. Deze woorden worden vormen, want zij betekenen wat de woorden zeggen en de woorden doen wat zij betekenen.

Vormgeving betekent altijd begrenzing. De begrenzing is de betekenis. De betekenis is niet onafhankelijk, want die is afhankelijk van het woord. Het woord en brahman zijn niet gescheiden. Het woord behoort tot de ātman of het woord is de ātman. Vanuit het woord rijst de betekenis op. De betekenissen zijn de dingen van de wereld.

Deze vormen worden beheerst door de Wet van Drie. De wereld wordt beheerst door verleden, heden en toekomst. De mens ervaart de wereld uitsluitend in het heden. De vormen van de wereld ontstaan uit iets, bestaan dan voor enige tijd, en verdwijnen dan weer in iets. Omdat we hun verleden niet zien en omdat we hun toekomst niet kennen worden ze illusoir genoemd.

Een pot wordt gemaakt en bestaat dan enige tijd. Zijn verleden is klei en zijn toekomst is klei. Maar zijn heden is ‘pot’. Dit tijdelijke bestaan is een upādhi. Een upādhi is dus de vormgeving, het vorm aannemen.

Een zelfde analogie is er voor goud en zijn sieraden. Miljoenen ontwerpen worden miljoenen soorten gouden sieraden. Alle sieraden zullen weer upādhi-loos, vormloos goud worden. Alle sieraden bestaan in het relatieve heden, maar feitelijk zijn zij goud.

We erkennen de vaardigheden van mensen. Daarom noemen wij hen filosofen, dokters, kunstenaars, enz. Het is een vorm die hun intelligentie heeft aangenomen en die naar de betreffende functie genoemd wordt. Als die mensen doodgaan verdwijnen al hun eigenschappen. Want als zij weer geboren worden moeten ze opnieuw alles leren.

De kennis of vidyā behoort aan de Âtman. Uit de vidyā komt de wereld voort. Omdat de wereld een vorm is, moet zij ook weer verdwijnen en terugkeren in vidyā.

Een tovenaar heeft een hoge hoed waaruit hij allerlei dingen tevoorschijn tovert om zijn publiek te amuseren. Na de voorstelling gaat alles weer terug in de hoed. Zo heeft de Brahman de mantra of het woord. Hieruit komt de wereld met al zijn vormen voort en na enige tijd keert de wereld weer terug in de mantra.

Upādhi wordt gezien en gekend in het heden. Het werkelijke, of de onderliggende substantie, wordt gewoonlijk gemist en blijft onbekend. Allen de wijzen proberen het te kennen. Alle anderen spelen met upādhi’s.

Upādhi is een illusie en het voegt niets toe aan de substantie. Het is er, maar het is er ook niet.

Uit “Gesprekken 1978”. (27-01-1978)
Vertaling 2001: Rob van Dijk.

 

<< Rob H. van DIjk >>