Advaita Vedanta

Upanishads

Upanishads: kennis van het zelf

veda
om iti etad aksharam idam sarvam

‘Dit alles is de syllabe om (brahman)’

– Mandukya-upanishad 1

 

 

Upanishads zijn Sanskrietteksten die de non-duale werkelijkheid van het individu en de wereld beschrijven. Ze vormen het laatste deel van de Veda’s.

De betekenis van het woord upanishad
Het woord upanishad bestaat uit twee voorvoegsels ‘upa’ en ‘ni’, en het woord ‘sad’. Upa betekent ‘zeer dichtbij’ en duidt hier op het zelf, ātman. Het zelf is het meest dichtbij: er kan geen afstand zijn anders dan de ‘afstand’ van onwetendheid. Ni staat voor ‘stevig gevestigde kennis’. Upa-ni betekent dus: stevig gevestigde kennis van het zelf. Sad heeft betekenissen in de zin van ‘vernietigen’ en ‘bereiken’. Upa-ni, stevig gevestigde kennis van het zelf, vernietigt onwetendheid, inclusief de wortels en de effecten van onwetendheid. Wat je bereikt door deze kennis is het onbegrensde zelf, brahman, waarvan je alleen gescheiden bent geweest door onwetendheid. Samengevat betekent het woord upanishad: stevig gevestigde kennis van het zelf samen met haar resultaat, moksha.

Meer dan 300 teksten
Hoewel er binnen de traditie gesproken wordt over 108 upanishads, zijn er nu meer dan driehonderd ontdekt. Van al deze teksten zijn er tien die binnen de onderwijstraditie van Advaita Vedanta de meeste aandacht krijgen, omdat ze door grote leraren, zoals Adi Shankara, voorzien zijn van commentaren. Deze tien upanishads zijn: Isha, Kena, Katha, Prashna, Mundaka, Mandukya, Taittiriya, Aitareya, Chandogya en Brhadananyaka-upanishad. Elke upanishad onthult de eenheid van het individu en het geheel aan de hand van andere vragen en gezichtspunten. Daarom is het zeer nuttig om verschillende upanishads te bestuderen.

Ishavasya-upanishad
De Ishavasya-upanishad begint met de woorden:

īshā vāsyam idam sarvam yat kiñca jagatyām jagat…

‘De gehele wereld, bewust en inert, is Ishvara; moge je het als zodanig beschouwen’

Deze upanishad ontvouwt hoe alles in de wereld Ishvara is. Ook legt de upanishad uit hoe je door een deugdzaam leven te leiden jezelf kunt voorbereiden op het verkrijgen van deze kennis.

Kena-upanishad
De Kena-upanishad begint met een dialoog tussen een leerling en leraar. De leerling vraagt: ‘Hoe komt het dat mijn lichaam, mijn geest, mijn prāna, mijn zintuigen en mijn organen van handeling functioneren? Functioneren ze uit zichzelf, of is er een entiteit die hen levend maakt en in gang zet?’ De leraar antwoordt (samengevat): ‘Het is het zelf waardoor de geest denkt, waardoor het oog ziet, waardoor de oren horen en waardoor spraak onthult. Dit zelf is het zelf van zowel het individu als van het gehele universum. Dit zelf is brahman.’

Katha-upanishad
De Katha-upanishad vertelt het verhaal van de jonge Naciketas. Hij kijkt toe hoe zijn vader een groot ritueel uitvoert en daarbij al zijn bezittingen offert. Naciketas begint zich zorgen te maken over het ritueel wanneer zijn vader te oude koeien aan de priesters schenkt. Naciketas vraagt vervolgens: ‘En aan wie schenkt u mij?’ Na drie keer vragen reageert zijn vader geërgerd: ‘Ik schenk jou aan Yama, de god van de dood!’ Naciketas houdt zijn vaders woord en gaat naar Yama. Maar Yama is niet thuis en Naciketas wacht drie dagen op hem. Wanneer Yama terugkomt, ziet hij de jongen bij zijn huis en biedt hem drie wensen aan, als tegemoetkoming voor het wachten. Als eerste wenst Naciketas dat zijn vader niet meer boos zal zijn, wanneer hij bij hem terugkeert. Zijn tweede wens betreft kennis over een speciaal ritueel. Zonder problemen vervult Yama deze twee wensen. Als derde wens wil Naciketas kennis over datgene dat blijft leven wanneer het lichaam sterft. Yama weigert eerst en biedt hem in plaats daarvan rijkdommen en macht aan. Maar Naciketas is niet geïnteresseerd en wil alleen deze kennis. Dan onderwijst Yama hem de kennis van het zelf.
Een aantal verzen uit deze upanishad komt ook voor in de Bhagavad Gita, zoals deze:

na jāyate mriyate vā vipashcit nāyam kutashcit na babhūva kashcit
ajo nityah shāshcato’yam purāno na hanyate hanyamāne sharīre (1.2.18)

‘Het zelf is niet geboren en sterft niet. Het komt nergens uit voort en verandert niet in iets anders. Het is vrij van geboorte, dood, groei en verval. Het sterft niet wanneer het lichaam sterft.’

De bekende vergelijking van de mens met een rijtuig is ook terug te vinden de Katha-upanishad:

‘Weet dat het lichaam het rijtuig is en de jīva de meester van het rijtuig. Het intellect is de wagenmenner en de geest de teugels. De zintuigen zijn de paarden en de zintuiglijke objecten zijn hun pad. De wijzen verklaren dat de jīva, samen met het lichaam, de zintuigen en geest, degene is die de ervaringen ondergaat.
Wanneer iemand geen onderscheidingsvermogen en geen discipline heeft, dan zullen zijn/haar zintuigen ongecontroleerd zijn als de onhandelbare paarden van de wagenmenner. Wanneer iemand wel onderscheidingsvermogen en discipline heeft, dan zijn zijn/haar zintuigen onder controle zoals de getemde paarden van de wagenmenner.’ (1.3.3-6)

Mundaka-upanishad
In deze upanishad vraagt de leerling Shaunaka aan zijn leraar:

kasmin nu bhagavo vijñāte sarvam idam vijnātam bhavati (1.1.3)

‘O eerwaardige, wat is datgene, dat wanneer men het kent, men alles kent?’

Deze vraag staat voor het verlangen van ieder mens om alles te willen begrijpen. In het antwoord dat hierop volgt wordt Brahman, de essentie van alles, op een symbolische wijze beschreven als ‘jyotishām jyotih – het licht der lichten’. Brahman is het onbegrensde bewustzijn dat alles ‘verlicht’, dat wil zeggen: bestaan geeft. Het vers hieronder beschrijft dit speciale licht. Deze mantra wordt vaak gechant bij hindoerituelen, waarbij er een stukje brandend kamfer voor het altaar wordt gehouden.

na tatra sūryo bhāti na candratārakam, nemā vidyuto bhānti kuto’yam agnih
tam eva bhāntam anubhāti sarvam, tasya bhāsā sarvam idam vibhāti (2.2.11)

‘De zon verlicht deze Brahman niet. Noch de maan en de sterren. Ook deze bliksemschichten verlichten het niet. Hoe zou dit vuur het kunnen verlichten? Alles schijnt enkel in navolging van dat zelf, dat het licht der lichten is. Als gevolg van zijn licht schijnt alles.’

Mandukya-upanishad
De Mandukya-upanishad is een zeer korte upanishad. Het bevat geen verhaal of anekdote, zoals de meeste andere upanishads, maar ontvouwt direct de natuur van het zelf door middel van avasthā-traya-prakriyā – een analyse van de drie staten van ervaring: wakende staat, droom en diepe slaap.

Chandogya-upanishad
De Chandogya-upanishad is de op een na grootste upanishad. Een groot deel gaat over upāsanas, diverse vormen van meditaties. Het zesde hoofdstuk bevat een dialoog waarin een vader zijn zoon onderwijst over de onbegrensde Brahman. Hier wordt de beroemde mahavākya tat tvam asi – ‘Dat zijt gij’ negen keer herhaald.
In het zevende hoofdstuk vraagt de geleerde Narada om zelfkennis, omdat hij ontdekt heeft dat hij, ondanks zijn enorme kennis van vrijwel alle takken van wetenschap, nog steeds onderhevig is aan verdriet. Sanatkumara onderwijst hem over ātman, het onbegrensde zelf, dat vrij is van verdriet.

Brhadaranyaka-upanishad
Deze upanishad is de grootste van de tien en bevat verschillende verhalen. Het bekendste verhaal gaat over de wijze Yajnavalkya en zijn vrouw Maitreyi. Als de vermogende Yajnavalkya zijn twee vrouwen meedeelt dat hij een monnikenleven gaat leiden en zijn bezit onder hen zal verdelen, vraagt Maitreyi of deze rijkdom haar ook de totale vrijheid zal opleveren die hij zoekt. Yajnavalkya vertelt eerlijk dat dit niet het geval is, en onderwijst haar vervolgens de kennis van Brahman, die haar wel deze vrijheid geeft.

Mahāvākya
Elke upanishad bevat een mahāvākya, een krachtige, kernachtige zin die de eenheid van het individu en het geheel onthult. Vier mahāvākyas zijn het bekendst:

tat tvam asi – ‘Dat zijt gij’ – Chandogya-upanishad
aham brahma asmi – ‘Ik ben Brahman’ – Brhadaranyaka-upanishad
ayam ātma brahma – ‘Deze ātman is Brahman’ – Mandukya-upanishad
prajñānam brahma – ‘Bewustzijn is Brahman’ – Taittiriya-upanishad

Lees verder